Voortgeschopt als een steen
Vanavond rijd ik op de fiets uit het dorp naar huis. Het is donker, en een beetje koud. November, dus. Onderweg zie ik een jonge vrouw lopen. Ze loopt alleen, een beetje aan de kant van de weg. Ze zal ergens midden twintig zijn, zie ik in de gauwigheid. En ze ziet er verloren uit….
Vanavond rijd ik op de fiets uit het dorp naar huis. Het is donker, en een beetje koud. November, dus. Onderweg zie ik een jonge vrouw lopen. Ze loopt alleen, een beetje aan de kant van de weg. Ze zal ergens midden twintig zijn, zie ik in de gauwigheid. En ze ziet er verloren uit.
Ineens ben ik veertig jaar terug in tijd en ben ik zelf de vrouw die daar loopt. Groningen. In mijn studententijd. In november. In de zware zoete lucht van de suikerfabriek. De lucht die in Groningen Stad de herfst geur geeft. Ik zwerf doelloos over straat, zoals zo vaak. Ik kijk naar binnen, in de huizen waar licht brandt. Waar ik mensen in de warmte en het licht zie zitten.
Vanavond voel ik het zoals het was. Ik buiten. Op straat. In de kou. Verloren. Wanhopig verlangend naar een thuis. Naar warmte. Naar licht. Intens eenzaam (waarom?). Intens verlangend (waarnaar?). Intens verdrietig (waarom?). Intens boos (waarom?).
In ben het zelf die daar (in Groningen, in de herfst, in de avond, veertig jaar geleden) loopt en voel nu – op 12 november 2012 – wat er toen in werkelijkheid met mij aan de hand was: afgescheiden zijn en wanhopig op zoek naar verbinding. Zonder nu de verwarde kluwens van gevoelens – boosheid, verdriet, eenzaamheid, schaamte, onlust, onrust, tekort en verlangen – nog te hoeven voelen. Gewoon zoals het toen was. Afgescheidenheid.
Ik denk aan een gedicht van Leonidas van Tarente, geschreven in de derde eeuw BC, dat altijd weer ergens in mijn leven opduikt
Laat je niet kwellen, o mens,
door’t lot dat je doemde tot zwerven,
voort geschopt als een steen/rollend land in land uit.
Laat je niet langer meer kwellen, nu je eind’lijk
een hut hebt gevonden,
droog, en verwarmd door een vuur / ook al is
dat maar klein.
Bak er een gerstekoek in
van grof gezeefd meel,
dat tevoren
in een ruwstenen trog /
door jou zelf is gekneed.
Als je de maaltijd dan ook
met wat zout of wat tijm
weet te kruiden
of met een korreltje zout /
menslief, wat wil je nog meer.
