Het leven leven zolang je leeft
‘Gebruik je medicatie?’ vraagt de verpleegkundige me. Als ik ‘Nee’ zeg vraagt ze voor de zekerheid nog maar eens ‘Helemaal niet?’ Ze kijkt me aan alsof ze vermoedt dat ik enigszins vergeetachtig ben. Voor nog meer zekerheid kijkt ze nogmaals in haar dossier. ‘Oogdruppels!’ zegt ze opgelucht. Ik moet lachen. ‘Die vergeet ik. Iedere dag…
‘Gebruik je medicatie?’ vraagt de verpleegkundige me. Als ik ‘Nee’ zeg vraagt ze voor de zekerheid nog maar eens ‘Helemaal niet?’ Ze kijkt me aan alsof ze vermoedt dat ik enigszins vergeetachtig ben. Voor nog meer zekerheid kijkt ze nogmaals in haar dossier. ‘Oogdruppels!’ zegt ze opgelucht. Ik moet lachen. ‘Die vergeet ik. Iedere dag opnieuw’ zeg ik haar. ‘Geen aantekening maken ‘Altzheimer (met een vraagteken) hoor.’
‘Een nieuw dak op uw huis?’ Verbijsterd kijkt de hypotheekadviseur me aan. In verband met een erfkwestie moest ik – als executeur testamentair – op zoek naar een hypotheekadviseur. ‘Als ik hier toch moet zijn, laat ik dan meteen eens kijken naar de mogelijkheid een extra hypotheek op mijn huis te nemen om m’n dak te vernieuwen.’ De man kijkt naar me alsof hij het in Keulen hoort donderen. Alsof ik ontsnapt ben uit de gesloten afdeling van het verpleeghuis dat zich bevindt tussen mijn huis en zijn kantoor. ‘Hoe oud bent u, als ik dat vragen mag?’ vraagt hij wat bedremmeld, toch maar even voor de zekerheid. ‘Eenenzeventig’ antwoord ik. ‘Hoezo?’
Zeventig +
Wordt er, als je zeventig + bent, echt niets anders meer van je verwacht dan dat je gaat zitten wachten tot je dood gaat? Je dag in dag uit bezig te houden met pijntje-hier-pijntje daar? Met de traplift je trap te bestijgen of af te dalen? Wekelijks je pillen-serie te sorteren? Op zoek te gaan naar een aanleunwoning? Of misschien hoogstens nog wat rond te toeren in een luxe-camper? Maar WERKEN???
Twintig jaar geleden
Hoe anders zag mijn leven er pakweg twintig jaar geleden uit. De jaren dat ik, als ik ’s ochtends wakker werd, me wanhopig afvroeg: hoe krijg ik deze dag weer om? Dat ik mezelf nauwelijks kon motiveren m’n bed weer uit te komen. Geen flauw benul had wat ik met weer een dag aan moest. De talloos veel keren dat ik – stiekem – dacht: ‘Voor mij hoeft het niet meer.’ ‘Ik breng het niet meer op.’ In de jaren dat ik dacht dat ik de enige was die geen idee had hoe ik het leven moest leven. Niet bij machte was iets van mijn leven te maken. Een waardeloze, machteloze sukkel.
Leven
Wat heeft het me veel gebracht. Te leren dat het niet waar was dat alle andere mensen het beter deden dan ik. Dat iedereen gelukkig was, behalve ik. Dat ik heb geleerd dat het leven geen beloofd paradijs is. Maar ook geen eindeloze woestenij van eenzaamheid.
Er is niets raars aan mij, als ik na m’n zeventigste geen medicijnen gebruik.
Er is niets raars aan mij, als ik op m’n zeventigste een nieuw dak op m’n huis laat zetten.
Ik leef het leven zolang ik leef. En dat bevalt me tegenwoordig. Heel goed!

