Ze stonden erbij, en keken ernaar
Ze stonden erbij, en keken ernaar. Of: ze stonden erbij, en zagen het niet. Of misschien stonden ze erbij, maar mochten niets doen. Overtuiging Deze week hoorde ik het weer. ‘Kinderen hebben maar één iemand nodig die in ze gelooft. Dan redden ze het wel.’ Een hardnekkige overtuiging, die ik vaker hoor. Die ene tante….
Ze stonden erbij, en keken ernaar.
Of: ze stonden erbij, en zagen het niet.
Of misschien stonden ze erbij, maar mochten niets doen.
Overtuiging
Deze week hoorde ik het weer. ‘Kinderen hebben maar één iemand nodig die in ze gelooft. Dan redden ze het wel.’ Een hardnekkige overtuiging, die ik vaker hoor. Die ene tante. Die ene buurvrouw. Op school die ene meester.
Bofkonten?
Maar is die overtuiging waar? Is dat bewezen? Door wie dan wel? Hoe? Welke voorsprong hebben deze kinderen op Verlaat Verdriet-ers die dat niet gehad hebben? Die ene meester, die ene tante, die ene buurvrouw? Waar uit zich dat dan in? Functioneren ze beter? Is hun gevoelsleven beter op orde?
Hoeveel kinderen die jong hun ouder(s) verloren hebben zo’n speciaal iemand gehad? Zijn de kinderen die dat wel hebben gehad bofkonten?
En als die persoon er niet was? Hoe is het die kinderen dan vergaan?
Werkelijkheid
En dan nog iets. Veel Verlaat Verdriet-ers hebben zich als kind in de steek gelaten gevoeld. Voor hun gevoel was er niemand. Dat voelde als: ‘Ze stonden erbij, en keken ernaar.’ Maar is dat echt zo? Of sloten ze zich zo af dat niemand meer in de buurt kon komen? (‘Laat maar praten. Ze snappen er toch niets van.‘)
En als er iemand was in de buurt of in de familie. Mocht die dan iets doen? Kreeg die toegang tot het gezin? Kon die iets doen?
Het is zo gemakkelijk gezegd. ‘Kinderen hebben maar één iemand nodig die in ze gelooft. Dan redden ze het wel.’ Het klinkt zo mooi. Zo dierbaar. Maar hoe ziet de werkelijkheid eruit?
Hoe zag jouw werkelijkheid eruit?
Wat heb jij gemist? Wat had je nodig? En wat heb je gekregen?
Wat mis je nu? Wat heb je nodig? En wat wil je krijgen?

