De vlamberken, roman van Lars Mytting
De vlamberken …… ‘En jij?’ vroeg de dominee. ‘Hoe ga jij het verwerken?’ Ik slikte. Besefte dat er in je leven een paar van dit soort keerpunten komen, dat je naar het wolkendek staart en jezelf belooft dat van nu af aan alles anders gaat worden. Maar ook de meest rigoureuze voornemens vervagen na verloop…
De vlamberken
…… ‘En jij?’ vroeg de dominee. ‘Hoe ga jij het verwerken?’ Ik slikte. Besefte dat er in je leven een paar van dit soort keerpunten komen, dat je naar het wolkendek staart en jezelf belooft dat van nu af aan alles anders gaat worden. Maar ook de meest rigoureuze voornemens vervagen na verloop van tijd, zodat je de belofte moet afleggen terwijl het nog pijn doet. Mijn hoofd en de macht der gewoonte duwden me in de richting van mijn opa, waardoor ik ook een zoutpilaar zou worden. Maar mijn lichaam wilde iets anders. Dat wilde ontreddering en huilbuien, bliksemflitsen en doldrieste daden, al was het alleen maar om te laten zien dat ik niet zo afgestompt en gevoelloos was als hij. Want ik besefte dat wat ik het allermeest miste, het voelen van een echt gemis was……
blz 101/102
Grote, onbeantwoorde vragen
In de herfst van 1971 komt een Noors echtpaar om het leven in een bos in Frankrijk. Hun driejarige zoontje Edvard blijft ongedeerd en groeit op bij zijn grootvader op een afgelegen boerderij in Noorwegen. Wanneer deze twintig jaar later overlijdt, blijft Edvard alleen achter, met grote, onbeantwoorde vragen. Wat deden zijn ouders in dat afgesloten bos, en was het toeval dat ze op een oude gasgranaat uit de Eerste Wereldoorlog stapten? En wie heeft die prachtige doodskist gestuurd voor zijn grootvaders begrafenis. Een ongekend staaltje vakmanschap, gemaakt van een houtsoort die niemand ooit heeft gezien? Zijn zoektocht naar antwoorden voert Edvard van Frankrijk naar de Shetland-eilanden. Naar de duistere krochten van zijn familieverleden, dat nauw verbonden is met de grote Europese tragedies van de twintigste eeuw.
.… Hanne kwam naar mij toe en nam mijn hoofd tussen haar handen. ‘Arme jongen,’ zei ze. ‘Het is je niet eens aan te zien.’ ‘Ik voel het anders wel’, zei ik. ‘Ergens diep in mijn middenrif.’ ‘Maar je lijkt net als anders. Misschien had je al zoveel pijn in je dat er geen plek is voor meer.’ Dat had ik nodig. Ik rukte me los en ging met mijn hoofd tegen de muur zitten huilen. Het welde op als uit een overstroomde kelder. Hoe zou het geweest zijn als ik iemand had gehad? Wat voor man zou ik geworden zijn met ouders, misschien broers en zussen, met jonge mensen om me heen, familie met wie ik mijn tijd wilde doorbrengen?
Mijn handen en voeten maakten geen deel meer uit van mijn lichaam. Ik had het gevoel alsof ik een reusachtig hart was, een zwellende, vormeloze homp die tranen naar buiten pompte die daar twintig jaar op hadden moeten wachten ……
blz 61/62

