• |

    Poly-ruptuur, multiple-trauma

    Steeds opnieuw gaat het thema ‘Een kind dat een ouder verliest door de dood, verliest veel meer dan alleen die ouder’ door me heen. Als een soort van mantra: ‘een kind dat een ouder verliest door de dood, verliest veel meer dan alleen die ouder’. Het kind verliest ook veiligheid. Continuïteit. Geestelijke geborgenheid. Vertrouwen.

    Zelf geef ik de voorkeur aan het gebruik van het woord ruptuur (snede, scheur) in geval van jong ouderverlies boven – of liever gezegd: voorafgaand aan – gebruik van het woord trauma (wond). Van het ene op het andere moment raakt het kind afgescheiden van de overleden ouder. Onomkeerbaar. Raakt het kind afgescheiden van het leven zoals het was. Onomkeerbaar. Raakt het kind afgescheiden van zichzelf. Niet onomkeerbaar. Het leven ging door. Onmiskenbaar. Het levensveranderende verlies greep diep in. Op alle levensgebieden, en zowel in de geest, als in het lichaam van het kind. In haar/zijn hele zijn.
    Bij jong ouderverlies is eerder sprake van een meervoudige ruptuur, dan van een enkelvoudige ruptuur: poly-ruptuur. Poly-ruptuur – meervoudige ruptuur – kan meervoudig trauma veroorzaken: multiple-trauma. En veroorzaakt dat bij jong ouderverlies in veel gevallen ook werkelijk.
    Als het kind vervolgens wordt blootgesteld aan een veelvoud van vervolgverliezen en -transities wordt de kans op een veelvoud aan trauma’s –  multiple-trauma – groter en groter.

    Steeds duidelijker ook krijgt mijn scepsis vorm ten aanzien van (een al te gemakkelijk) gebruik van EMDR. Wie niet een goede kennis heeft van, en een ruime ervaring heeft met, de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder, doet er goed aan EMDR niet ‘zomaar’ in te zetten. Voor Verlaat Verdriet-ers, die in hun jeugd zijn geconfronteerd met poly-ruptuur en multiple-trauma, kan het gebruik van EMDR gevaarlijk zijn, en de Verlaat Verdriet-er eerder schade berokkenen dan helpen. EMDR is geen gemakkelijke en lekker snelle methode om van je trauma’s af te komen. Zeker niet als het gaat om de gevolgen van jong ouderverlies!

    Morgen heb ik een afspraak met de enige persoon in Nederland die is opgeleid in het gebruik van WingWave. Wingwave is een methodiek die in Duitsland is ontwikkeld door twee psychologen. Ik ben nieuwsgierig naar deze methode. Misschien een methodiek die bruikbaar is om mee te werken met Verlaat Verdriet-ers? In ieder geval wordt Wingwave gebruikt door null in Zwitserland. Hoewel Diederika, wat Verlaat Verdriet-ers en Wingwave betreft, nog aan het onderzoeken is of de methode goed kan werken bij Verlaat Verdriet-ers en zo ja: hoe.

    Ik zal het horen morgen, en er zeker verder over schrijven.

  • | | | |

    Mislukt

    Regelmatig ontmoet ik in mijn werk Verlaat Verdriet-ers die vast zijn gelopen in hun werk.
    Ze voelen zich mislukt.

    Ik herken hun gevoelens daarover als de mijne. Al is dat wat mij betreft lang geleden. Ooit gaf ik les. Stond ik voor de klas. Hoewel ik de eerste jaren met heel veel plezier werkte op ‘mijn’ hele kleine schooltje – gelegen in het bos – groeide in de loop van de jaren wel het gevoel: ‘dit is niet mijn werk. Ik wil dit eigenlijk helemaal niet.’ Maar wat wilde ik dan wel? Ik had geen idee. Wat kon ik eigenlijk? Ik had geen idee. Naarmate de jaren verstreken verzandde ik meer en meer in mijn werk. Tot ik het gevoel had geen kant meer op te kunnen. Vastgelopen in mijn werk. Vastgelopen in mijzelf. Dit wilde ik niet langer. Maar wat dan wel? Ik had geen idee. Voelde me totaal mislukt. De dag waarop ‘mijn’ kleine schooltje werd gesloten, en ik op straat kwam te staan zonder werk, voelde als een bevrijding. Maar tegelijkertijd ook weer niet. Ik was totaal opgebrand. Draaide maanden en maanden (of eigenlijk, om helemaal eerlijk te zijn: jaren en jaren) om me zelf heen. Ik was een zombie in mijn eigen leven geworden. Dat was eigenlijk het enige wat ik nog was: een zombie. Mislukt. Zonder doel. Zonder perspectieven.

    ‘Ik voel me mislukt’ klinkt mij dus erg bekend in de oren als ik het een Verlaat Verdriet-er weer hoor zeggen. ‘Het werk dat ik heb gedaan – ook al was ik succesvol in dat werk – wil ik niet meer doen. Maar wat dan wel?’

    Veel heb ik nagedacht over die gevoelens van mislukt zijn, met name met betrekking tot werk. Hoe komt het toch dat zoveel Verlaat Verdriet-ers daarin terecht komen? Waar komen die gevoelens vandaan? Waar zijn ze op terug te voeren?

    Voor een groot gedeelte zijn ze – mijns inziens – terug te voeren op het feit dat Verlaat Verdriet-ers, als gevolg van de vroege dood van hun ouder, als het ware uit zichzelf zijn gevallen. Ze pasten zich aan de veranderde omstandigheden aan. Raakten zichzelf en hun eigen doelen kwijt. Ze maakten (opleidings- en beroeps)keuzen vanuit hun aangepaste Zelf, niet meer verbonden met hun oorspronkelijke Zelf. Ze lopen vast in hun werk. Ook als ze dat werk met (groot of minder groot) succes uitvoeren.

    Bij een (groot) aantal Verlaat Verdriet-ers begon het proces van aanpassen al veel eerder dan vanaf het moment dat de ouder overleed. Dat zijn de Verlaat Verdriet-ers die een – fysiek of psychisch – langdurig zieke ouder hebben gehad. Deze kinderen pasten zich aan de situatie aan, die voortkwam uit de ziekte van de ouder. In sommige gevallen een situatie die bestond vanaf hun allervroegste jeugd. Ze kregen onvoldoende pedagogische voeding en onvoldoende ruimte om zich vrij te ontwikkelen. De langdurige ziekte van de ouder bleek niet alleen de sluipmoordenaar van de ouder, maar ook een kracht die de eigen kracht van het opgroeiende kind vervormde, soms misvormde. Het kind kreeg onvoldoende kans om geestelijk te groeien. Soms lijkt de sluipmoordenaar van de ouder ook het Zelf in het kind gedood te hebben (wat niet waar blijkt te zijn!). Deze Verlaat Verdriet-ers willen zo graag presteren, maar hebben geen idee hoe je het moet doen: je eigen doelen stellen. Je eigen doelen halen. Ze hebben de ouder gemist die ze bij de hand nam. Die tegen ze zei: ‘Je doet het goed. Doe nog maar een stapje.’ Ze kunnen niet voldoen aan eisen die worden gesteld. Trekken zich terug in zichzelf. Voelen zich mislukt.

    Nog een aspect van gevoelens van mislukt zijn moet hier genoemd worden. Een onzichtbaar, maar groot en venijnig aspect.
    Kinderen die een ouder verliezen proberen op alle mogelijke manieren de verstoorde situatie weer in balans te brengen. Ze gaan zorgen voor de overgebleven ouder. Ze gaan zorg dragen voor broertjes en/of zusjes. Ze doen verschrikkelijk hun best. Ze passen zich aan. Ze gaan geven, in plaats van hun oorspronkelijke kind-recht: te mogen leren ontvangen. Ze gaan op hun tenen lopen. Of trekken zich helemaal terug om geen (over)last te veroorzaken. Gaan presteren. Raken overbelast. Maar hoe hard ze ook hun best doen: het lukt ze niet de balans waarnaar ze zo verlangen te herstellen. Het wordt niet beter. En wat ze ook doen: het wordt niet opgemerkt. Of, als het al wordt opgemerkt: dan nog krijgen ze niet de waardering voor de inspanningen die ze leveren waar ze naar verlangen. Ze worden niet voldoende op waarde geschat.
    Deze Verlaat Verdriet-ers leggen in hun latere leven de lat vaak verschrikkelijk hoog. Ze stellen hoge eisen aan zichzelf. Eisen waar ze niet aan kunnen voldoen. Ze gaan maar door en door. Maar ondanks alles – ook ondanks het feit dat ze mogelijk wel succes hebben in hun werk – dragen ze vaak het gevoel in zich: ‘Ik ben mislukt’.

  • | |

    Het potlood & de voetafdruk

    Zaterdagochtend bel ik Margreet om te vragen of ze akkoord gaat als ik een Blog schrijf over het telefoongesprek dat we eerder deze week hebben gehad over null.

    ‘En nu nog wat’, zegt Margreet. ‘Ik vind het vaak zo verschrikkelijk moeilijk om andere mensen uit te leggen wat het vroege verlies van mijn moeder met mij heeft gedaan. Die kanker van jou ……’

    Ik val Margreet in de rede en roep meteen: ‘o ja – die kanker kwam gisteren ook in mijn sessie met de psycho-therapeut aan de orde. Drie keer kanker gehad, maar het staat niet in verhouding tot wat de dood van mijn moeder bij mij teweeg heeft gebracht. Weet je – die kanker, hoe erg en vervelend en moeilijk en ingrijpend ook: het heeft me wel de gelegenheid gegeven om in beweging te komen. Om te handelen. Om besluiten te nemen over mijzelf. In dat perspectief heeft die drie keer kanker ook iets inspirerends voor me gehad. Iets bevrijdends. Het ging over mij en ik kon er wat mee doen.’ 

    ‘Maar zeg nou nog eens hoe het voor jou zit’, dringt Margreet aan. ‘Ik wil het gewoon weten. Waar kun je het mee vergelijken. Hoe maak je duidelijk hoe groot het is. Zoals je een potlood naast een voetafdruk kunt leggen, waardoor je kunt zien hoe groot die voetafdruk eigenlijk is, zeg maar.’

    ‘Drie keer kanker kan niet in de schaduw staan van wat het verlies van mijn moeder in mij en in mijn leven teweeg heeft gebracht’, beantwoord ik de vraag van Margreet. ‘Het komt er niet eens in de buurt.’

  • |

    Oud patroontje, leef je nog? (2)

    Experience-based Verlaat Verdriet-werk heeft grote voordelen. Wie beter dan wijzelf – Verlaat Verdriet-ers – is in staat de levenslange invloed van de vroege dood van een ouder te benaderen vanuit de ervaringen van het kind van toen en betekenis te geven vanuit de ervaringen van de volwassene van nu?

    Maar: experience-based Verlaat Verdriet-werk heeft ook z’n kwetsbare kanten. Eén van die kanten ervaar ik sinds enige tijd ook weer zelf. Mijn eigen fysieke ervaring. Een even kwetsbare als invloedrijke kant van overleven. Gebeurtenissen van buitenaf waar ik geen invloed op heb gehad – waar ik bij betrokken ben, maar feitelijk niet in betrokken ben – heeft mijn hele fysieke overleef-systeem diep geraakt en (weer eens) op alert gezet.
    Ik zit er weer midden in. Gevoelens van machteloosheid hebben het systeem – mijn systeem – weer helemaal in gang gezet. Ik zit weer in een fysiek overleef-systeem dat totaal is gericht op overleven.

    Bijzonder evenwel aan deze staat van paraatheid – zoals die zich nu bij mij voordoet – is: omdat de kwestie die speelt in wezen niet over mij gaat en ik geen verantwoordelijkheden heb in de ontstane situatie, (de gevoelens van machteloosheid zijn er niet minder om, integendeel) zit ik er niet alleen middenin, maar kan ik tegelijkertijd ook als buitenstaander de verschijnselen die zich in mij afspelen observeren. En dat is heel anders dan vroeger. Een groot deel van mijn leven heb ik in deze overleefstand doorgebracht. Met alle fysieke gevolgen van dien. Geconfronteerd met de gevolgen, maar me al die jaren totaal niet bewust van de oorzaak: het vroege verlies van mijn moeder.

    ‘Ik ben weer een gesloten systeem geworden’ realiseerde ik me een paar dagen geleden. ‘Uitsluitend gericht op overleven’. Ik heb geen eetlust. Ik kan wel klussen of werkzaamheden doen die dicht bij me liggen, maar ‘uitreiken’ kan ik niet. Mijn lijf is supergevoelig voor invloeden van buitenaf – bij het minste of geringste schiet m’n lijf weer in staat van hoogste paraatheid. Plannen maken: lukt niet. Initiatieven nemen: lukt niet. Toekomstgericht denken: lukt niet. Concentreren: lukt niet. Mijn geheugen heeft gaten. Ik kan soms helemaal niet op woorden komen. De regulatie van mijn lichaamstemperatuur is in de war, mijn voeten vaak koud. Mijn darmen werken niet normaal.

    Ook anders dan vroeger ben ik nu niet alleen lijdend voorwerp (de overleefstand is over het algemeen geen prettige fysieke ervaring, dat weet je wellicht zelf als de beste), mijn lijf is nu ook mijn eigen studie-object. Wat gebeurt er allemaal? Hoe reageert mijn psyche? Wat doet mijn lijf? Hoe voel ik me? Wat heb ik nodig? Wat is niet goed voor mij? Welke processen spelen zich af? In welke volgorde? Heb ik daar invloed op? Zo ja: welke invloed? Zo nee: wat kan ik dan wel doen?

    ’s Ochtends bij het wakker worden weet ik het ineens. Ik – het gesloten systeem – heb het nodig om te spuien, te spuien, te spuien. Ik bel de psycho-therapeut met wie ik er al menig sessie op heb zitten en kan op korte termijn een afspraak maken. We starten de sessie met spuien, spuien, spuien. En dan, na een klein uur, zijn we bij de kern aangekomen. In mij blijkt nog altijd een klein meisje van acht te zitten (mijn moeder stierf toen ik acht was) dat doodsbang is voor de volgende klap – een nieuwe ruptuur.

    ‘Kun je aanvaarden dat er een klein meisje in je zit dat doodsbang is?‘, vraag M., de therapeut. ‘Nee’, zeg ik meteen. ‘Dat meisje is al groot. Die redt zich heus wel.’

    ‘Kun je aanvaarden dat je niet kunt aanvaarden dat er een klein meisje in je zit dat doodsbang is, terwijl je weet dat dat kleine doodsbange meisje er wel is?’
    ‘Ja’, zeg ik.
    Dat kan ik wel. En op hetzelfde moment vloeit er een heleboel spanning uit me weg.

    ‘Oud patroontje, leef je nog?’
    Ja.
    Dat kun je wel zeggen.