• Gedragen

    Vandaag komen er allemaal mensen op bezoek. Vind ik leuk, ze zitten samen of beurtelings aan m’n bed. Maar eigenlijk voel ik me helemaal niet lekker. Misselijk, ongemakkelijk. Ik heb last van het licht. Van de warmte. Wil het liefste stil in het donker liggen. Wat is dit nu? Ik voel ik me steeds ellendiger. Zo ellendig heb ik me sinds de operatie niet gevoeld. Vaag realiseer ik me dat vandaag de crematie is van H. Wij zijn er niet bij. Ik ben er helemaal niet bij, zelfs niet bij mezelf.
    Beneden zijn J. en M. druk bezig. Samen ontvangen ze m’n bezoek, maken eten, doen m n tuin. Het weer is prachtig, zonnig en warm, maar ik moet er helemaal niets van hebben. Zo ellendig als ik me nu voel, moet ik niet denken aan de confrontatie met de wond als ik onder de douche ga. Ik wil trouwens helemaal niet onder de douche. Ik moet er niet aan denken. Gelukkig komt ook E. langs. E. werkt bij de thuiszorg. Ze belooft me de volgende dag terug te komen om me te helpen bij het douchen. Wat een opluchting, dan hoef ik dus nu niet. Als M., mijn partner, langs komt vertelt hij me dat hij op internet heeft gezocht naar de bijwerkingen van morfine. Hij noemt ze op, en ik heb ze allemaal. Wat een ellende. Je krijgt een medicijn om te pijn te stillen, en daarna voel je je ellendiger dan ooit, ook al is de pijn een stuk minder. Maar nu weet ik tenminste waarom ik me zo ontzettend klote voel en dat heeft ook wel wat.
    Samen met M. heeft J. het avondeten klaar gemaakt. Het weer is prachtig. We eten samen buiten. Dat wil zeggen: M. en J. eten en ik schuif ook wat naar binnen. Hoewel het me toch wel smaakt, hoef ik niet en ik ben blij dat ik daarna weer gewoon m’n bed in mag.
    J. blijft slapen en dat vind ik fijn. Er is iemand in huis, voor het geval dat… Wat dat zou kunnen zijn weet ik eigenlijk niet, maar het is wel heel fijn dat ze er is en dat ze blijft.

  • |

    Morfine-junk

    Vandaag controle van de drain – hij loopt nog. Even ben ik bang dat ik niet naar huis mag. Maar dan krijgen mijn buurvrouw en ik te horen dat we naar huis mogen. Als de drain verwijderd wordt is meteen alle restpijn weg. Wat een opluchting, maar ondertussen laat het me vrij onverschillig dat ik naar huis kan. Wel bel ik M. om te zeggen dat ik na de middag naar huis kan. Zal ik je op komen halen, vraagt hij. Nou, doe vanavond maar, zeg ik. Dan eet ik hier eerst nog warm. De middag breng ik slapend en lezend door. De maaltijd is vreselijk, het eten smaakt naar niets. Straks komt M. me halen, ik zou me toch aan moeten kleden, denk ik honderd keer, maar doe het even zo vaak niet. In de middag is er een speciale verpleegkundige langs geweest voor mijn buurvrouw en mij. We krijgen een soort van tijdelijke B.H. met losse wattenvulling mee naar huis en moeten die passen. Er liggen een stuk of vijf, zes B.H.s in de badkamer. We kunnen elk de B.H. uitzoeken die ons het beste past, mijn buurvrouw een en ik een. De B.H. s die over zijn, blijven in de badkamer liggen. Om half zeven staat M. voor mijn neus. Ik ben niet eens aangekleed en hij kijkt stom verbaasd naar me. Wat is dit nou? Kom ik zo vroeg mogelijk hier, en jij ligt nog in bed. Ik schiet snel m n kleren aan, inclusief mijn nieuwe BH, gris wat dozen mee uit de badkamer. Prop m’n tas vol. Wat gek: mijn badjas kan er helemaal niet in. Toen ik hier kwam, had ik toch plaats genoeg. Met mijn badjas over mijn arm zeg ik mijn twee overgebleven kamergenotes gedag en verlaat, in het kielzog van M., het ziekenhuis. ‘Breng me maar naar huis’, zeg ik. Ik slaap het liefste weer gewoon in mijn eentje in mijn eigen bedje. En kruip er ook het liefst zo snel mogelijk weer in, denk ik er snel achteraan. Thuisgekomen keer ik m’n tas om. Tot mijn grote verbazing komen er vijf dozen met BH’ s uit. Daarom was mijn tas zo vol, snap ik nu. Nou ja, maakt het uit. Ik wil gewoon m’n bed in en slapen.

  • Amputatie

    Bijna op de kop af twee jaar na de vorige borst-operatie dan nu de dag waarop mijn borst er helemaal af moet. In de ochtend naar Amersfoort, om te onderzoeken of er toch nog lymfeklieren aanwezig zijn. Terwijl we wachten komt er op de telefoon van M. een sms binnen. In de vroege ochtend is H., na vier jaar strijd tegen kanker, op de dag na z’n 42e verjaardag overleden. Shit, shit, shit. Wat een ellende! En hoe moet ik hier aan denken terwijl ik zelf over een paar uur onder het mes lig. Van de drie ben ik nu alleen over. Shit, shit, shit.
    Veel gelegenheid om er bij stil te staan is er niet. Het onderzoek wijst uit dat er aan mijn rechterkant geen lymfeklieren meer zijn. Dan kan de kanker ook niet via je lymfeklieren zijn uitgezaaid, zegt de assistente. Dat zal waar zijn, maar wat heb ik eraan.
    Ik moet me zo snel mogelijk melden in het ziekenhuis in Harderwijk, zodat ik klaar gemaakt kan worden voor de operatie. Dus rijden we direct van Amersfoort naar Harderwijk. Ik voel me enigszins onwerkelijk. H. dood, ik op weg naar een operatie waar mijn borst geamputeerd zal worden. Dat wat ruim veertig jaar als doem over mijn leven heeft gelegen, wat het ergste leek te zijn wat me ooit zou kunnen overkomen, gaat straks gebeuren. Vind ik het erg? Nee. Zie ik er tegenop? Nee. Vind ik het eng? Nee. Ben ik wel normaal? Weet ik niet.
    De gang van zaken in het ziekenhuis is me bekend. Waarschijnlijk zal ik twee nachten moeten blijven, afhankelijk van het verloop met de drain. Een vervelende herinnering komt bij me op. De eerste keer heb ik tien dagen in het ziekenhuis moeten blijven omdat de drain maar bleef lopen. Dat gaat nu hoop ik niet weer gebeuren. Nou ja: ik merk het wel. Vijftien jaar geleden bleek, op het moment dat ik afgetekend werd voor de bestralingen, dat er stuk drain in mijn borst was blijven zitten. Twee jaar geleden werd de operatie gestaakt omdat het draadje dat gezet was naar de plaats van de tumor (zodat de chirurg de tumor gemakkelijk kan vinden) verdwenen bleek te zijn. Alleen de poortwachtersklier kon toen weggenomen worden, voor het verwijderen van de kanker moest ik een dag later terugkomen.
    Veel tijd om over dit alles na te denken is er niet. Als ik klaar ben gemaakt voor de operatie, en mijn portie dormicum heb gehad, word ik naar de operatiekamer gebracht. Ik maak nog net mee dat het toch echt allemaal over mij gaat. Even later word ik plotseling wakker. Ik kijk om me heen, en dan naar beneden. Zijn ze al klaar? Of moet het nog beginnen? Nee, ze zijn klaar. Jemig!
    Terug op de vier-persoons kamer ben er gewoon weer helemaal. Pijn heb ik eigenlijk niet. Ik kijk, met mijn ogen nog even dicht, naar beneden. Als ik ze open doe zie ik verband en verder een lege plek. Dat was het dus. En nu snel beter zien te worden.
    Als ’s avonds mijn partner en vriendin P. op bezoek komen, verbaas ik ook hen met mijn helderheid. Geen spoortje van de narcose. Ook raar!

  • Helse pijn

    Wat ongemakkelijk, maar toch wel redelijk goed geslapen vanacht. Ik voel me goed, heb ook aardige kamergenotes. Ik kom de dag goed door, geniet van het bezoek dat ik krijg. Als de chirurg langs komt vertel ik haar dat ik een wat vreemde pijn voel in mijn borst. Alsof iemand in mijn tepel staat te snijden. Dat kan fantoom-pijn zijn, zegt ze, dat gebeurt wel eens. Het is een vervelend soort pijn, die in de op van de dag zeker niet minder wordt. Vooral als ik me beweeg voel ik het. Nooit eerder fantoompijn gehad – ik hoop toch wel dat dat weer slijt. In de nacht word ik wakker van een helse pijn. Ik durf me niet eens te bewegen, zo n pijn heb ik. Ik hoor de verpleegkundigen op de gang, maar ik durf me zo totaal niet te bewegen dat ik niet eens bij de alarmbel kan komen. Ik probeer het toch, maar het doet me teveel pijn om het nog eens aan te durven. Gelukkig merk ik dat mijn buurvrouw ook wakker is. Ik vraag haar of ze op de alarmbel wil drukken. Ik word helemaal gek van de pijn. De verpleegkundige geeft me paracetamol. Mij lijkt dat bij lange na niet afdoende, maar wie weet. Natuurlijk is het niet genoeg. Als er na verloop van tijd iemand komt kijken zeg ik dat ik nog steeds even veel pijn heb, en dat ik me niet durf te bewegen. Ze zegt dat ze zal zien wat ze kan doen, en blijft een hele tijd weg. Kennelijk is ze me vergeten. Is dit nou dat ziekenhuis waar ik me altijd zo goed behandeld voel? Wat waardeloos is dit. Na een eeuwigheid komt de verpleegkundige terug met een spuit. Sorry, zegt ze, het kon niet sneller. Deze pijnstiller is niet zomaar voor handen. Wat kan mij dat allemaal schelen, die helse pijn is echt niet uit te houden. Waarschijnlijk drukt het slangetje van de drain op een zenuwuiteinde, zegt ze. Oh, is dat het? Maar dan wel op alle zenuwuiteinden die maar in de buurt liggen, denk ik nog, maar zeg ik niet want praten wil ik niet.
    Langzaam dommel ik toch enigszins in slaap. De pijn is er nog wel, maar is nu wel uit te houden. Uiteindelijk slaap ik, zij het niet erg prettig.