• | | | | | | | | | |

    Ik hoor er niet bij

    Anoniem, 1627

     

     

     

     

     

     

    Onlangs sprak ik een jonge vrouw.
    Dit is het verhaal dat ze me vertelde:

    ‘Mijn moeder verloor als baby haar moeder.
    Ze was het eerste en enige kind van haar moeder.
    Haar vader – mijn opa dus – hertrouwde al snel.
    Er kwamen nieuwe kinderen.
    Een nieuw, groot gezin.
    Mijn moeder als oudste kind in het nieuwe gezin.
    Een heel gewoon gezin.

    Toen mijn opa en oma vijftig jaar getrouwd waren, liet mijn moeder – altijd degene die overal voor zorgt – bij de fotograaf een mooie foto maken.
    Opa en oma, en alle kinderen.

    ‘Maar mama, jij staat er niet op’, riep ik verbaasd toen ik de foto zag.
    ‘Ik hoor er ook niet bij’ antwoordde mijn moeder, zonder een seconde te aarzelen.’

  • | | | | | | | | | | | |

    Verloren in het kraambed

     

     

     

     

     

     

    Stel: je bent het jongste kind van zes.
    Stel: je verloor je moeder in het kraambed.
    Stel: je moeder overleed onmiddellijk na jouw geboorte.
    Stel: je komt als baby thuis. In een huis waar je vijf broertjes en zusjes hun moeder hebben verloren. En je vader zijn vrouw.
    Stel: niemand zegt het ooit, maar toch voel jij dagelijks de zwaarte van de onuitgesproken beschuldiging: jij bent de moordenaar van mijn moeder.

    Stel: je bent het eerste kind van je moeder en je vader en het enige kind van je moeder.
    Stel: je moeder overleed in het kraambed.
    Stel: je moeder overleed onmiddellijk na jouw geboorte.
    Stel: je groeide op in het liefdevolle gezin van de zus van je moeder.
    Stel: je hebt regelmatig contact met je vader.
    Stel: op een dag laat je vader zich ontvallen: ‘Het zou beter zijn geweest als jij niet was geboren.’

    Jij was zo jong

    Dan is het toch niet te hebben, als ‘de buitenwereld’ bij heel jong ouderverlies zegt (of erger nog: denkt):
    ‘Ach, jij was zo jong. Je hebt je moeder niet gekend.
    Dan kun je er ook geen last van hebben.’

  • | | | | | | |

    Licht maken

     

     

     

     

     

     

    ‘Ik kan altijd zelf licht maken’ 
    Wintertijd.
    Ze hangen weer: de lichtjes.

    Lang geleden, in een tijd van langdurige depressie, besloot ik in de wintertijd een trosje lichtjes voor mijn raam te hangen.
    Ik zag in een najaar zo’n trosje kerstboomlichtjes hangen voor het raam van een vriendin van me. Het inspireerde me.
    ‘Zo kan je elke dag je eigen lichtje aansteken’
    ging door me heen.
    Zo gedacht, zo gedaan.
    Ook ik hing een trosje kerstboomlichtjes voor m’n raam. E
    lke dag dat het langdurig somber en donker was deed ik ze aan. Het verbond me elke keer weer met het gevoel: ‘Ik kan elke dag m’n eigen licht maken’. 

    Licht maken

    Elk jaar, als de wintertijd ingaat, hang ik de lichtjes op.
    Elk jaar hangen ze tot de zomertijd weer ingaat.
    Op dagen van regen, somberheid en donkerte maak ik licht.
    ‘Ik kan altijd een lichtje voor mezelf maken’.

    Ritueel

    Een simpel ritueel.
    Het werkt.
    Echt.
    (En wat ook werkt, is het gevoel dat de mensen die gedurende de wintertijd langs mijn huis komen mogelijk ook denken: Hé, kijk! Je kunt altijd een lichtje voor jezelf maken.
    Licht doorgeven: ook mooi!).

  • | | | | | | | | | | | |

    Schurende culturen

     

     

     

     

     

     

     

    ‘Kinderen lijken meer op hun tijd dan op hun vader.’
    Lang geleden las ik ergens dit – Arabische – gezegde.
    Het is me altijd bijgebleven.
    Zeker nu, in deze tijd, waarin we zo met onze neus worden gedrukt op schurende – om niet te zeggen botsende – culturen.

    Zijn we ons eerder zo bewust geweest van de persoons-vormende invloed van tijd? Van cultuur?
    Zijn we als samenleving ooit eerder zo geconfronteerd met verschillen in normen? In waarden?
    Zijn we er ooit eerder als samenleving zo omvangrijk mee geconfronteerd hoe diep cultuur mensen vormt? Hoe vèrgaand?

    Cultuurbreuk

    Het moet zo’n vijfentwintig jaar geleden zijn, dat ik in De Volkskrant een interview las met René Hoksbergen. Een interview ter gelegenheid van het feit dat hij, Hoksbergen, de eerste – bijzonder – hoogleraar Adoptie was geworden aan de Universiteit in Utrecht.
    In dat interview vertelde hij, dat het vroege verlies van zijn moeder mee had gezorgd voor deze keuze. ‘Het verlies van mijn moeder was een diepe cultuurbreuk in mijn kinderleven’.
    Voor het eerst bracht voor mij iemand anders onder woorden wat ik zelf al zo lang voelde: het verlies van mijn moeder was een cultuurbreuk in mijn kinderleven.
    Wat in ons gezin gewoon, goed en vanzelfsprekend was in de tijd dat mijn moeder leefde, was na de komst van de tweede vrouw van mijn vader helemaal niet meer gewoon, goed en vanzelfsprekend.

    Je verliest zoveel meer

    Een kind dat een ouder verliest, verliest zoveel meer dan die ouder alleen.
    Je verliest ook veiligheid.
    Geborgenheid.
    Continuïteit.
    Vertrouwen.
    Je verliest ook zorg van je overleden ouder.
    Liefde.
    Aandacht.
    Onvoorwaardelijkheid.
    En je verliest de cultuur van je overleden ouder.

    Besef

    Mozaïek-gezinnen.
    Lappendeken-gezinnen.
    Patchwork-gezinnen.
    Bonus-mama’s.
    Bonus-papa’s.

    Hoeveel mooie woorden hebben we inmiddels bedacht voor samengestelde gezinnen?
    Voor stief-moeders?
    Voor stief-vaders?

    Hoeveel besef hebben we van de gevolgen die al dat verlies van veiligheid, van continuïteit, van vanzelfsprekendheid van normen en waarden heeft voor de vorming van het kind dat al deze grote, ingrijpende verliezen lijdt?
    Hoeveel therapeuten nemen dit gegeven mee in de begeleiding van Verlaat Verdriet-ers? Van volwassenen dus die in hun jeugd een ouder hebben verloren door overlijden?

    Wie staat er werkelijk stil bij de invloed van schurende culturen als het gaat om gezinnen, kinderen en het verlies van een ouder door de dood? (om maar niet te spreken over het verlies van beide ouders)?